“Ik was toen 13 jaar. Ik had toen al twee jaar overleefd op het Sint-Jan Berchmanscollege in Antwerpen. Dat was een “uber-katholiek” college waar je volledig in uniform mooi in de rij moest lopen, zwijgen en luisteren. Laat dat nu net een hoop dingen zijn waar ik nooit goed in ben geweest (lacht). Daarom was ik overgestapt naar Sint-Lodewijk, de “afvalbak” waar alle leerlingen met een B-attest naar overliepen. Daar vond ik meer mijn draai dankzij de toffe leraren en de aangename omgeving, waardoor ik ook iets beter in mijn vel zat dan de jaren ervoor. Hoe dan ook was naar school gaan nooit mijn favoriete bezigheid. Op die leeftijd was ik al gestart met karate. Ik had een grote fascinatie voor vechtsporten, maar ook voor films, comics en muziek. Ik ging vaak naar de cinema en bezocht veel videotheken, waar ik waanzinnig veel films heb ontdekt die ik anders nooit gezien zou hebben. Ik was een enorme fan van Sylvester Stallone en Arnold Schwarzenegger, die de grote actiehelden speelden in films als ‘Rocky’, ‘Rambo’, ‘The Terminator’ en ‘Commando’. Qua muziek luisterde ik in die tijd vooral naar de muziek die toen populair was. Dat was nog voor de tijd dat ik punk en metal had ontdekt. Toen had ik nog een grote affiniteit voor pop die typisch was voor de jaren ‘80: Duran Duran, The Human League, Franky Goes to Hollywood… Toen had ik dat nog niet door, maar achteraf gezien waren die teksten eigenlijk allemaal redelijk deprimerend. Dat was natuurlijk ook onderdeel van de eighties.”
Hoe beleefde jij die periode persoonlijk?
“We denken er vaak aan terug als een leuke tijd, maar tegelijkertijd was het ook een donkere periode en speelde er vanalles bij het volk, zoals de Koude Oorlog. Die realiteit werd ook weerspiegeld in films. De jaren ‘90 waren eigenlijk een optimistischer decennium: president Clinton kwam aan de macht, de Berlijnse Muur was gevallen en de situatie met Rusland was niet verder geëscaleerd. Volgens mij waren de jaren ’80 net zo’n waanzinnig decennium vanwege die onwaarschijnlijke tegenstellingen. Enerzijds was het “party party” dankzij muziekgenres als new beat, house, dance en elektronische muziek. Tegelijkertijd werd punk meer hardcore en kwam ook het donkere genre new beat op met bands als The Cure en The Sisters of Mercy. Enerzijds was er de fluo lippenstift, grote kuiven, zotte kleuren en grote epauletten; anderzijds de puntschoenen en de duisternis. Omdat ik toen zelf nog jong was, koos ik eerder voor de leuke optie, al voelde ik mij altijd al wel aangetrokken tot de donkere kant. Post-apocalyptische rampenfilms zoals ‘Escape from New York’ en ‘Mad Max’, dat sprak mij enorm aan. Natuurlijk was het ook een mooie tijd. Voor mijn zeventienjarige dochter bijvoorbeeld lijkt het bijna een droom om geleefd te hebben in de jaren ’80, zonder sociale media of telefoon. Tijdens die periode zelf besefte je dat natuurlijk niet. Ik denk dat dat een algemene drang is om op een positieve manier terug te kijken naar een voorgaande periode. Dat deden wij ook bij artiesten die populair waren in de jaren ’60, zoals The Doors en Jimmy Hendrix. Hoe dan ook was het een heel fascinerende periode.”
Wanneer heb je ontdekt dat je van comedy een business kon maken?
“Een business heb ik er nooit echt in gezien, want dat was het in die periode ook helemaal niet. Ik ben natuurlijk pas een heel eind later in de comedy gestapt, al wist ik wel al vanop jonge leeftijd dat ik er iets mee wilde doen. Eddie Murphy, RAW, Delirious… dat was voor mij een beetje als de Big Bang. De comedians van daarvoor waren vaak gedistingeerde mannen in kostuum, of net rare vogels. Maar Eddie Murphy… dat was een god. Ik imiteerde hem vaak op de speelplaats en kende al zijn shows vanbuiten. Dan kwam hij op in een leren pak en werd heel de arena zot. En dan dacht ik altijd: “Dat wil ik zijn!” (lacht). Als kind merkte ik al wel dat ik mensen kon laten lachen en had ik de neiging om overal humor in te zien, maar nooit had ik gedacht dat ik ooit echt comedian zou kunnen worden. Natuurlijk kwam dat ook deels door mijn ouders, die mij oplegden om eerst een diploma te behalen. Daarna zou ik zoveel flauwekul mogen verkopen als ik maar wilde. Of dat was toch de opzet! Helaas ging ik helemaal niet graag naar school en was ik niet gemaakt om te studeren. Ik denk dat ik ongeveer veertien studies ben gestart, zonder er ooit één af te maken (lacht). Toch begon ik na een tijd te beseffen dat ik vroeg of laat een podium op zou moeten kruipen, anders zou ik heel mijn leven lang ongelukkig zijn. En toen de excuses uiteindelijk op waren, heb ik het erop gewaagd!”
Denk je dat dergelijke comedians nunog steeds op dezelfde manier onthaald zouden worden op een podium?
“Daar ben ik zeker van. Er wordt vaak gezegd dat je tegenwoordig niets meer mag zeggen, maar dat is niet waar. Je mag zeggen wat je wilt. Je moet er alleen op voorbereid zijn dat je er meer kritiek op zal krijgen. Comedy is altijd al controversieel geweest, al zijn er natuurlijk tijden waarin er een toename is van gevoeligheid bij de kijkers. Ik merk zelf altijd dat je veel moppen kan maken over een onderwerp dat je publiek niet zoveel kan schelen, maar vanaf je moppen maakt over iets waar ze zichzelf in herkennen, voelen ze zich aangesproken. Dan zijn het geen grapjes meer, maar “serieuze statements”. Dat moet je er nu eenmaal bij nemen. Comedy zou eerder een “vereniger” moeten zijn dan een verdeler. Ik ben net altijd heel hard geneigd om te lachen met de dingen waar eigenlijk niet mee gelachen mag worden. Dan denk ik: “We zullen nog wel eens zien!” (lacht). Gender, racisme en religie zijn altijd toppers, omdat je weet dat dat gevoelige onderwerpen zijn. Het is een uitdaging om kritisch te staan ten opzichte van bepaalde meningen, zonder die mensen enkel te beledigen. Je zou altijd moeten kunnen lachen met de onnozelheid van bepaalde dingen. Het is niet omdat jij een onderwerp als iets serieus beschouwt, dat dat voor andere mensen ook het geval is. Uiteindelijk denk ik dat inclusiviteit toch betekent dat er ook met jou gelachen wordt. Een groep creëren die op alles de uitzondering vormt, is hetzelfde als een kind kritiekloos opvoeden. Af en toe moet je eens wind tegen krijgen en moet je je standpunten kunnen staven met argumenten. Als je dat niet kan, moet je erop voor- bereid zijn dat ermee gelachen kan worden. Natuurlijk wordt er ook veel gezegd met de bedoeling om te provoceren. Die rebellie is normaal. Daarin vind ik onze generatie vrij uniek. Anderen mogen ons dan wel ‘boomers’ noemen, maar wij zijn Gen X. Wij zijn opgegroeid met een contracultuur van punk, metal en hardcore. Wij zaten niet allemaal vast in het 9-to-5-ritme met kostuum, zoals onze ouders. Wij waren al enorm progressief. Als er in onze jeugd een vriend van ons uit de kast kwam, dan zeiden we “ja, dat verklaart wel heteen en ander” en dan ging het leven weer verder. Uiteraard zijn er in elke generatie personen die daar wel problemen mee hebben en ik kan begrijpen dat mensen die bijvoorbeeld WOII nog hebben meegemaakt wat conservatiever zijn op sommige vlakken, maar bij ons kwamen die progressieve idealen toch al vroeg tot uiting. Dat we het nu niet zouden aankunnen om een jongen met make-up te zien, vind ik erg. Ik ben opgevoed met David Bowie en Human League. Trust me, ik heb al een “vent” met make-up gezien.”
Benieuwd naar het volledige artikel én naar Alex’ favoriete song uit 1985? De herfst/winter-editie van Real Living is beschikbaar via shop.imagicasa.be.
Blijf je graag op de hoogte van het beste dat België te bieden heeft qua architectuur, interieur, vastgoed, lifestyle en meer? Volg dan @realliving_magazine op Instagram voor een dagelijkse dosis inspiratie.